Een toetsprogramma is meer dan een lijst toetsmomenten. Het beschrijft hoe de verschillende beoordelingen samen informatie geven over het leren en het bedoelde niveau. Je begint daarom bij de doelen of leeruitkomsten en het bewijs dat daarbij past.
Maak zichtbaar wat een toets bijdraagt
Noteer per beoordeling welke doelen zij raakt, welk niveau wordt gevraagd en welke prestatie zichtbaar wordt. Leg de opdracht en de beoordelingscriteria erbij. Een naam als ‘presentatie’ of ‘portfolio’ zegt op zichzelf nog weinig over wat wordt aangetoond.
Onderzoek de opbouw naar een beoordeling
Bekijk waar leerlingen of studenten oefenen, feedback ontvangen en hun werk kunnen verbeteren. Controleer of de zelfstandigheid en complexiteit van de beoordeling passen bij wat eerder is opgebouwd.
Leg de momenten naast elkaar
Bekijk de verdeling over weken, periodes en leerjaren. Noteer niet alleen de afnamedatum, maar ook het voorbereidingswerk en de benodigde feedback. Twee toetsen op verschillende dagen kunnen voor studenten toch in dezelfde piek vallen.
| Wat valt op? | Wat onderzoek je? |
|---|---|
| Veel beoordelingen van hetzelfde doel | Welke beoordeling geeft aanvullende informatie en op welk niveau? |
| Een doel zonder zichtbare beoordeling | Ontbreekt het bewijs, de beschrijving of de koppeling? |
| Een drukke periode | Hoe vallen voorbereiding, uitvoering en feedback samen? |
Maak een beargumenteerde wijziging
Beschrijf welk probleem de wijziging oplost en welke andere onderdelen geraakt worden. Leg vast wie de formele beslissing neemt. De eisen aan het toetsprogramma verschillen per onderwijscontext; gebruik daarvoor de actuele kaders van de instelling en opleiding.
