Een curriculumcheck kan zichtbaar maken waar bedoelde resultaten, onderwijsactiviteiten en beoordeling niet aantoonbaar op elkaar aansluiten. Dat is nuttig, zolang helder blijft wat de check meet en welke conclusie zij niet kan dragen.

Welke bronnen gaan erin?

Gebruik per afgebakend onderdeel de geldende leeruitkomst of het leerdoel, centrale opdrachten en activiteiten, feedbackmomenten, beoordelingsopdracht en criteria. Vermeld cohort, versie en peildatum.

Welke relaties controleer je?

  • het bedoelde handelen komt terug in oefening;
  • feedback richt zich op relevante kwaliteitsaspecten;
  • de beoordeling vraagt passend bewijs;
  • criteria voegen geen onverwachte eisen toe;
  • de complexiteit en zelfstandigheid bouwen herkenbaar op.

Welke uitkomst levert de check?

Label een relatie als aangetoond, onduidelijk, tegenstrijdig of niet gevonden. Bewaar de bron waarop het label rust. Een kleur of score zonder vindplaats is moeilijk te bespreken en nog moeilijker te onderhouden.

Wat meet de check niet?

De check bewijst geen leerwinst, motivatie, toetsvaliditeit of ervaren samenhang. Zij laat evenmin zien waarom een mismatch bestaat. Daarvoor zijn aanvullend studentwerk, ervaringen, beoordelingsgegevens en inhoudelijk onderzoek nodig.

Wat doe je met een signaal?

Kies één mismatch en formuleer een onderzoeksvraag. Controleer de bron, spreek de betrokken rollen en besluit pas daarna of leeruitkomst, activiteit, feedback of beoordeling moet veranderen.

Publiceer geen effectclaim over de CurriculumCheck zonder beschreven instrument, toepassing en meetgegevens. De waarde van de check zit voorlopig in de kwaliteit van het gesprek dat een traceerbaar signaal mogelijk maakt.