Het woord curriculum wordt gebruikt voor een landelijk kader, opleidingsplan, vakkenoverzicht, lespraktijk en zelfs voor wat leerlingen uiteindelijk ervaren. Die betekenissen raken elkaar, maar zijn niet hetzelfde.
1. Bedoeld curriculum
Hier staan de doelen, waarden, wettelijke kaders en ontwerpprincipes. Voorbeelden zijn kerndoelen, kwalificatie-eisen, beoogde leerresultaten en een schooleigen visie.
2. Gepland curriculum
Dit is de vertaling naar programma, leerlijnen, onderwijseenheden, opdrachten, toetsing en tijd. Documenten en systemen beschrijven deze laag, vaak verspreid over meerdere bronnen.
3. Gerealiseerd curriculum
Dit is wat docenten en studenten werkelijk doen. Een vastgesteld plan kan anders uitpakken door keuzes in de klas, beschikbare tijd, expertise of omstandigheden.
4. Ervaren en bereikt curriculum
Leerlingen en studenten ervaren een bepaalde samenhang, belasting en ruimte. Hun werk en resultaten laten zien wat zij kunnen aantonen. Ervaring en resultaat zijn beide relevant, maar niet onderling uitwisselbaar.
Stel de laag vast vóór het gesprek
“Het curriculum bevat te veel herhaling” kan betekenen dat documenten dubbelingen tonen, docenten dezelfde inhoud behandelen of studenten dezelfde opdracht ervaren. Iedere betekenis vraagt ander bewijs.
Noteer daarom bij een curriculumvraag:
- over welke laag gaat dit;
- welke bron of waarneming ondersteunt de uitspraak;
- welke andere laag mogelijk wordt geraakt;
- wie over een verandering mag besluiten.
Verdieping per taak
Wie het geplande curriculum wil vastleggen, kan beginnen met curriculum in kaart brengen. Voor de verbinding tussen bedoeling, activiteiten en beoordeling is constructieve afstemming de gerichte vervolgstap. Een brede definitie hoeft die specialistische onderwerpen niet allemaal opnieuw uit te leggen.
