Onderwijsteams gebruiken “leeruitkomst” soms voor het eindniveau van een opleiding, soms voor een eenheid binnen flexibel onderwijs en soms als alternatief voor leerdoel. Dat verschil is niet alleen taal. Het bepaalt welk besluit de formulering moet dragen.

Beoogde leerresultaten

Deze beschrijven wat een afgestudeerde van de opleiding bereikt. In het accreditatiestelsel vormen zij het ijkpunt voor niveau, oriëntatie, beroepsveld en verdere inrichting van de opleiding.

Eenheden van leeruitkomsten

Bij opleidingen die hiermee werken, beschrijft een eenheid een samenhangend resultaat dat op verschillende manieren kan worden verworven en aangetoond. De NVAO-uitvoeringsregels waarschuwen expliciet dat beoogde leerresultaten en leeruitkomsten niet hetzelfde begrip zijn.

Leerdoelen

Leerdoelen geven op een kleiner niveau richting aan een leeractiviteit, les, opdracht of fase. Zij kunnen bijdragen aan een leeruitkomst zonder zelf dezelfde formele status te hebben.

Beoordelingscriteria

Criteria beschrijven waarop kwaliteit wordt beoordeeld. Stop niet ieder criterium in de leeruitkomst; houd zichtbaar welke tekst de bedoeling formuleert en welke het oordeel ondersteunt.

Vier vragen voor het team

  1. Op welk niveau van de opleiding gebruiken we dit begrip?
  2. Welke formele bron en versie geldt?
  3. Welk werk of gedrag kan het resultaat zichtbaar maken?
  4. Wie mag de formulering wijzigen?

Een begrippenkaart lost geen inhoudelijk meningsverschil op. Zij voorkomt wel dat een team verschillende teksten vergelijkt alsof ze dezelfde functie hebben.